Zoekopdracht
Segment





Aantal wielen




Locatie van bewaring

Brabantse driewielkar

Brabantse driewielkar, Karrenmuseum Essen

Classificatie

RegistratienummerV 1989-0045
BouwperiodeBouwjaar: 1942
Locatie van bewaringKarrenmuseum

Typologering

SegmentLand- en tuinbouwvoertuigen
Hoofdgroep3-wielige voertuigen
TypologieBrabantse driewielkar

Een type tussen een kar (twee wielen) en wagen (vier wielen) was de driewielkar. Die bestond uit een onderstel met drie wielen en een laadbak. Het bijzondere eraan was dat de twee balken van het onderstel (ook snak of lamoen) naar voren naar elkaar toe buigen. De lamoen steunt achteraan op het asblok waarin de as van de twee grote achterwielen gevat is. De lamoen steunt achteraan op het asblok waarin de as van de twee grote achterwielen gevat is. De lamoenbalken vooraan zijn gedicht met planken. Dit noemt men de ‘schoot’. Eronder bevindt zich het ‘kruis’. Dit is een rechtopstaande balk met het kleinere voorwiel, waar ook de dissel aan bevestigd is.
Doordat het kruis via een draaischijf met een zware bout vastgemaakt was aan de schoot, was deze kar zeer wendbaar. De laadbak staat op de achterste helft van de lamoen. De voorkant van de bak was met een wentelas vastgemaakt aan de lamoenbalken zodat de bak kon koppen. Voor- en achterbord zijn afneembaar en op elke zijkant kunnen verhoogstukken geplaatst worden. Op die wijze verkreeg men een zeer praktische multifunctionele kar.
Een ouder type is een driewielkar waarbij het voorwiel rechtdoor draaide tussen de twee lamoenarmen en niet eronder. Daardoor was er nauwelijks draaimogelijkheid. Door deze moeilijke bestuurbaarheid had deze kar zijn naam van ‘zotte kar’ wel verdiend. Dit type werd o.a. gebruikt door vissers. Ze brachten er hun vangst mee naar huis.
Door zijn wendbaarheid was de driewielkar onmisbaar op de boerderij: voor het vervoer van graan, aardappelen, stenen, zand, materiaal, mest, zaaigoed, bieten, rapen… tot zelfs dieren toe. Een groot voordeel was ook dat de bak gekanteld kon worden zodat men de lading kon uitgieten. Eigenaardig genoeg is deze kar niet eeuwenoud maar dateert ze pas uit het begin van de 19de eeuw.
Soms werd de laadbak ook weggenomen bv. om een varkensren op het onderstel te plaatsen. Op die manier verkreeg men ook een beerkar: men plaatste een beerton of beerbak op het onderstel.

Gebruik.
De driewielkar gebruikte men als het land zeer nat was (drie steunpunten in plaats van twee) en ook voor drachtige merries die moeilijk tussen de berries konden.
Laadvermogen 1500kg.
Voor deze kar spande men 1 of 2 paarden.
De laadbak kan worden weggenomen en in de plaats kan een aalvat gezet worden. Bij het inhalen van de oogst werd voor- en achteraan een botterik geplaatst.

Afmetingen.
Bruto- maten: L X B X H: 360cm X 200cm X 147cm
Spoorbreedte: 163cm
Breedte wielband: grote wielen 8cm, klein wiel: 7cm
Diameter: grote wielen: 110cm, klein wiel: 40cm

Publicatie.
Wouter, F. Renaud, BIEKORF, West-Vlaams archief voor geschiedenis, archeologie taal- en volkskunde, Landbouwvoertuigen in Vlaanderen, Zeeland en Noord-Brabant. December 2009, p. 397.

Het Karrenmuseum is een Erkend Museum in Vlaanderen