Zoekopdracht
Segment





Aantal wielen




Locatie van bewaring

Menwagen

Menwagen, Karrenmuseum Essen

Classificatie

RegistratienummerV 1995-0051
HerkomstDudzele
Bouwperiode1880 - 1930
Locatie van bewaringKarrenmuseum

Typologering

SegmentLand- en tuinbouwvoertuigen
Hoofdgroep4-wielige voertuigen
Subgroepmenwagen
TypologieMenwagen

Afmetingen

Bruto lengte500 cm
Bruto breedte202 cm
Bruto hoogte193 cm
Spoorbreedte162 cm

Een boerenwagen is een getrokken vierwielig voertuig hoofdzakelijk bestemd voor agrarisch transport, zoals het vervoer van hooi, tarwe, haver en aardappelen. De constructieve opbouw van het onderstel en het draaistel maakt dat men twee hoofdtypes kan onderscheiden, namelijk de langboomwagen en de onderdoordraaier. Een langboomwagen is een wagen met een lange balk (langboom) die het voor- en achterstel draaibaar met elkaar verbindt. De langboom vormt steeds één onwrikbaar geheel met het achterstel en vangt tijdens het draaien de torsie tussen het voor- en achterstel op.
Een onderdoordraaier is een wagen waarbij de voorwielen volledig onder de bak kunnen doordraaien. Dit type wagen, waarmee korter gedraaid kon worden dan met de langboomwagen, ontstaat in het begin van de twintigste eeuw en speelde in op de behoefte aan betere en vooral snellere transportbehoeften.

Het type langboomwagen kan onderverdeeld worden in enerzijds de wagens met doorlopende langboom en één enkel draaipunt in het voorstel en anderzijds de wagens met een bloktang, een korte langboom en twee draaipunten.
Deze boerenwagen met doorlopende langboom is een menwagen en kwam verspreid voor binnen verschillende regio’s in het zuidwestelijk zeekleigebied van Nederland en Vlaanderen. De menwagen werd in de regel bespannen met twee paarden.
Primaire kenmerken van de menwagen zijn in de eerste plaats het draaistel, dat bestaat uit een doorlopende langboom met een enkel draaipunt, een draairing of zweek, een zweekhout en voortangarmen voor een lange of een korte, meestal rechte dissel. De langboom steekt voorbij het achterstel naar achteren uit.
Gemeenschappelijke secundaire kenmerken zijn onder andere het aantal van tien spaken in de voorwielen en twaalf in de achterwielen. De voorwielen draaien onder de bodemplanken tot tegen de langboom door. De bodemplanken zijn in het midden, tussen het voor- en achterstel, op de langboom gesteund door klossen en/of een middenrongblok. De opbouw bestaat uit zijleren met een gebogen bovenboom. Het achterbord is even hoog als het achtereind van de zijleren en wordt in een vaste schuine stand opgesloten door de achtersluitboom die over de tuiten van de bovenboom worden geschoven. Aan de voorkant kan al dan niet een voorsluitboom worden aangebracht.
De menwagen kon voor de graanoogst uitgerust worden met een oogstraam, oogstladders en een polderboom met katrollen en bindtouwen. Voor de bietenoogst werden de zijleren verhoogd met opzetborden of ‘peeborden’ en een voorhek of ‘peehek’ aan de voor- en achterzijde van de bak.
Deze menwagen is afkomstig uit Dudzele. In de West-Vlaamse zeekleipolders werden tot na de Tweede Wereldoorlog menwagens gebruikt waarvan de bovenbomen van de zijleren in het voorste deel een knik vertonen en daarna naar achteren in een rechte lijn weer oplopen. De onder- en bovenbomen en de scheien werden doorgaans recht afgewerkt met een kraalrandje. Net zoals bij deze wagen was de langboom in deze regio steeds recht en stak deze voorbij de bodemplanken naar achteren uit. Voor het vastbinden van volumineuze ladingen kon een woeltuig op het uitstekende deel van de langboom bevestigd worden.

Het Karrenmuseum is een Erkend Museum in Vlaanderen